De reiger

reiger

Waar water is, zijn reigers. Bij ons in de buurt wemelt het ervan. Maar ze blijven fascineren. Met hun bedachtzame tred. Hun dolksnavel. Hun zijdelingse wantrouwende blik als je ze voorbijloopt. De manier waarop ze eindeloos lang als bevroren langs de waterkant staan om dan heel plotseling pijlsnel uit te vallen naar een kikker of een vis. Een van de mooiste gedichten die ik ken, gaat over een reiger. Het is van Jan Willem Schulte Nordholt en het heet ‘Reiger op het Binnenplein’.

Een tovervogel daalt neer
op het rechtlijnige plein van onze dag van vandaag
vanachter glas en staal
kijkt het veelvuldig oog
van het kind dat wij goddank zijn
hem vol verwondering aan.

Hij duikt in zijn dons, hij denkt na
dieper waarschijnlijk dan wij,
hij heeft ook veel meer tijd
en zo oneindig veel meer ruimte.

Hij kleurt bij het zink van het plat,
een zuilenheilige op zijn eigen
ernstige poot, een grijze wijsgeer.

Eigenlijk zou hij erelid moeten zijn
van iets dat wij allemaal samen

voelen en willen, maar het heeft nauwelijks
een naam, noem het verlangen.

Maar hij ontstijgt. Reikhalzend
staat hij een ademloos ogenblik,
een trillende antenne. Dan spreidt

hij de majesteit van zijn vleugels.
Hij verheft zich hemelsbreed
boven ons op de aarde. Wij zijn
weer zeer met elkander alleen.


Uit: Verzamelde gedichten (Baarn: de Prom, 1996)

 06-06- 2005